Tino Meijn is voorzitter van VNO-NCW Rijnland.
“Hoe verdient de Leidse regio over tien jaar haar brood? En hoe zorgen we ervoor dat dit een goed belegde boterham is? Hiervoor zijn banen nodig en die komen vooral voort uit ondernemerschap en innovatie. Op die twee onderwerpen is dan ook actie nodig om als regio een koppositie vast te houden. Het mkb speelt daarbij een belangrijke rol.
De kennisclusters zijn het kloppend hart van de regionale economie, daar zit veel verdienvermogen. Het breed mkb zijn de longen van de regio die via alle haarvaten zorgen voor facilitering van de lokale economie en toeleveranciers zijn van de kennisclusters. Met de nieuwe strategie van Key Regio Leiden gaan we ze nog beter op elkaar laten aansluiten.
Een belangrijke voorwaarde daarbij is ruimte voor werk. Daar is nu een groot tekort aan. De huidige bedrijventerreinen zijn nagenoeg vol. Een Ruimtelijke Ontwikkelingsmaatschappij voor Bedrijventerreinen (ROM-B) zou een geweldig hulpmiddel zijn om onderzoek te doen naar uitbreiding van ruimte voor werk op nieuwe locaties en tevens de huidige ruimte op terreinen beter te benutten door bijvoorbeeld te verdichten, ophogen en verplaatsen van panden. Verder is het goed om de definitie van ruimte te actualiseren, die immers verandert door de toename van thuiswerk, veranderende bezettingsgraden en nieuwe eisen van werkenden.
’Van investeren in ruimte voor werk profiteert de hele regio mee’
Het geeft ook de mogelijkheid om tegelijkertijd de verduurzaming en modernisering van verouderd vastgoed aan te pakken. We werken daarom vanuit VNO-NCW Rijnland graag mee om deze ROM-B te verkennen en op te richten. Daarbij hebben we de steun nodig van gemeenteraden, maar ook van provincie en het Rijk.
Doel is om bestaande banen te behouden, bedrijven de mogelijkheid te bieden om te groeien en uit te breiden en nieuwe bedrijven de kans te geven om zich te vestigen en dat is goed voor brede welvaart.
VNO-NCW Rijnland zet zich daarnaast binnen Key Regio Leiden in voor een toekomst met voldoende gekwalificeerd personeel, met onderwijs dat aansluit op de vraag uit de markt en waar er voor studenten voldoende stageplaatsen zijn.”